We zien in onze praktijk vaak dat bij een participatie van een nieuwe aandeelhouder in een B.V., de reeds zittende aandeelhouders wel vaak willen dat er wordt geparticipeerd, maar dat zij daarnaast de besluitvorming binnen het bestuur van de vennootschap niet (gedeeltelijk) uit handen willen geven.

De oplossing is dan om in een aandeelhoudersovereenkomst vast te stellen dat bepaalde besluiten mede namens de nieuwe aandeelhouders vooraf moeten worden goedgekeurd.

Om het bovenstaande vorm te geven zien we steeds vaker dat door de zittende aandeelhouders gekozen wordt voor het instellen van een zogenaamd overlegorgaan waarin ook de nieuwe aandeelhouders zijn vertegenwoordigd. Dit overlegorgaan wordt dan als managementteam (“MT”) aangeduid en in de aandeelhoudersovereenkomst wordt dan opgenomen dat het bestuur van de vennootschap bepaalde besluiten niet zonder instemming van het MT kan nemen.

Het MT als overlegorgaan is dan echter geen vennootschapsrechtelijk orgaan, omdat dit orgaan niet als zodanig  is opgenomen in de structuur van vennootschap zoals weergegeven in de statuten. Vaak realiseren de nieuwe aandeelhouders en leden van het MT zich welke consequenties dit heeft. In de literatuur [1] is namelijk reeds genoegzaam uitgemaakt dat door de wet toegestane regelingen ter zake van bevoegdheidsverdeling en de duurzame structuur van de vennootschap uitsluitend in de statuten van de vennootschap kunnen worden neergelegd. Een contractuele regeling zoals een goedkeuringsregeling door het MT zoals opgenomen in een aandeelhoudersovereenkomst is naar heersende opvatting nietig, zodat de leden van het MT / de nieuwe aandeelhouders bij het niet nakomen van de afspraken omtrent besluitvorming in rechte daar vaak niet met succes een beroep op kunnen doen.

Om er voor te zorgen dat nieuwe aandeelhouders er alsnog op kunnen vertrouwen dat zij daadwerkelijk bij bepaalde bestuursbesluiten betrokken moeten worden en mee kunnen beslissen, stellen wij veelal voor om in de algemene vergadering van aandeelhouders (hetgeen wel een vennootschapsrechtelijk orgaan is) een onderscheid te maken tussen de reeds zittende aandeelhouders A en de nieuwe aandeelhouders B. Partijen kunnen vervolgens in goed overleg bepalen, welke voorgenomen bestuursbesluiten daadwerkelijk ook door beide aandeelhouders groepen vooraf moeten worden goedgekeurd, zodat partijen ook daadwerkelijk in de toekomst als min of meer gelijkwaardige participanten in de vennootschap kunnen participeren. De kernvraag is dan natuurlijk wel of de reeds zittende aandeelhouders daartoe echt bereid zijn of niet. Het creëren van schijninspraak voor nieuwe aandeelhouders levert wat ons betreft in ieder geval geen structurele basis op voor een samenwerking tussen aandeelhouders in een B.V.

[1] Zie onder meer Meinema 2003, blz. 27-31

Geef een reactie