V&D – in 1887 opgericht door Willem Vroom en Anton Dreesmann – was tot 31 december 2015 een winkelketen van warenhuizen in Nederland. Op de laatste dag van 2015 werd de winkelketen met op dat moment een schuld van zo’n € 60 miljoen na lang getouwtrek uiteindelijk failliet verklaard.

Omdat pogingen tot het maken van een doorstart helaas niet zijn geslaagd, is definitief een einde gekomen aan één van de eerste moderne winkelketens in Nederland.

Niet alleen raakt het faillissement de circa 5.000 werknemers in dienst van V&D en de nog eens 5.000 werknemers in dienst van La Place, die soms tientallen jaren trouw arbeid hebben geleverd, maar het treft ook zeker de vele honderden leveranciers en een aantal verhuurders.
De werknemers die door de curator worden ontslagen, kunnen een beroep doen op een vangnet: de zogenaamde “loongarantieregeling”, waarbij het UWV verplichtingen voortvloeiend uit een dienstverband tot een bepaalde maximum overneemt. Denk aan achterstallig loon, loon over de opzegtermijn, vakantiegeld en pensioenpremie.

Maar hoe moet dat nou met de leveranciers?
In de meeste gevallen betekent een faillissement dat naast de boedelvordering (o.a. salaris curator), alleen de preferente schuldeisers (UWV, Belastingdienst) en pand- en hypotheekhouders (banken) of crediteuren met bijzondere voorrechten, nog (een deel van) hun vordering betaald zien. De concurrente crediteuren, zoals bijvoorbeeld een leverancier, hebben meestal pech en kunnen fluiten naar hun geld (en geleverde goederen).

Zo zal de groep van leveranciers van kleding aan de V&D de dupe zijn (geworden) van het faillissement. Het productieproces, van ontwerp, fabriek tot in de winkel, heeft een gemiddelde doorlooptijd van minstens een half jaar heeft, omdat kleding vaak in verre landen als India en China wordt gefabriceerd. Terwijl het met V&D achter de schermen kennelijk fors bergafwaarts ging, werden er tot het laatste moment toch nog orders bij deze leveranciers geplaatst. Dat zal dus betekenen dat veel van deze leveranciers (ook nu nog) orders in verre landen hebben uitstaan. Het is vrijwel zeker dat een groot deel hiervan waardeloos is geworden, omdat het – vanwege de specifieke door V&D aan de kleding gestelde eisen – in feite onverkoopbaar zal zijn geworden. De schade voor de leveranciers is dus nog groter dan dat je op het eerste gezicht misschien zou denken. Schrijnender is nog wel dat dit ongetwijfeld tot nieuwe faillissementen zal leiden.

Het is zeker niet bepaald een prijzencircus wat V&D aangaat. De verwachting is dat de diverse brancheorganisaties van zich zullen laten horen de komende maanden om er voor te zorgen dat de schade zoveel mogelijk beperkt blijft.
Leveranciers zouden er daarom altijd goed aan doen om onder bepaalde voorwaarden te leveren, zoals op basis van eigendomsvoorbehoud. Bij eigendomsvoorbehoud worden goederen geleverd, maar gaat het eigendom pas over als aan een aanvullende voorwaarde (zoals betaling) is voldaan. Belangrijk is wel dat de aanvullende voorwaarde(n) op de juiste wijze van toepassing zijn verklaard en de leverancier kan aantonen welke goederen van hem zijn. Dit voorkomt achteraf onnodige juridische onzekerheid.
Bij juist gebruik van eigendomsvoorbehoud kan een leverancier zich wapenen tegen bijvoorbeeld een (dreigend) faillissement, maar denk ook aan een ontvanger die niet betaald. Voor meer informatie en advies over eigendomsvoorbehoud kan contact opgenomen worden met The Legal Group Advocaten.
(Andere grotere retailers die al eerder failliet gingen (vanaf 2012) waren Boekhandel Selexyz, winkelketen Schoenenreus, winkelketen Free Record Shop, winkelketen Halfords, juweliersketen Siebel, boekwinkelketen Polare, modeketen Etam en onlangs Perry Sport en Aktie Sport).

Geef een reactie